Jouw/jou/je
Gebruik van jou, jouw en je:
1. Nadruk of geen nadruk:
Jou en jouw zijn nadrukkelijke vormen.
Als er géén nadruk op ligt, gebruik je de niet-nadrukkelijke vorm je.
Vb.
-
Mag ik je telefoon even gebruiken?
-
Zal ik je mijn nummer geven?
2. Jouw = van jou (bezittelijk voornaamwoord):
Jouw drukt bezit uit. Je gebruikt het wanneer iets van iemand is.
Vb.
-
Ik heb het jouw moeder als eerste gevraagd. (= de moeder van jou)
-
Jouw presentatie was het best.
-
Naar jouw theorieën luister ik het liefst.
-
Ik deed het voor jouw plezier.
-
Je bent onrustig voor jouw doen. (= de gewoonte van jou)
-
Ik doe het, maar op jouw verantwoording!
Andere bezittelijke voornaamwoorden: mijn, uw, zijn, haar, ons/onze, jullie, hun.
Let op: Na van komt er geen werkwoord.
-
Het boek is van jou.
Alleen als het woord zelfstandig bezit aanduidt, schrijf je jouw: -
Dat is jouw boek.
-
Het boek is van jouw zus. (= van de zus van jou)
3. Jou = persoonlijk voornaamwoord
Gebruik jou als persoonlijk voornaamwoord — het drukt geen bezit uit.
Vb.
-
Ik heb het jou gevraagd.
-
Gijs zag jou gisteren in de stad.
-
Dat ga ik meteen voor jou doen.
-
De door jou gestelde vraag komt ook aan de orde.
Andere persoonlijke voornaamwoorden: ik, mij, zij, hem, u, wij.
4. Twijfel? Gebruik de 'hem/zijn'-test
Vervang jou(w) in gedachten door hem of zijn:
-
Past hem? → gebruik jou.
-
Past zijn? → gebruik jouw.
Vb.
-
Ik heb het hem gevraagd → Ik heb het jou gevraagd.
-
Gijs zag hem gisteren in de stad → Gijs zag jou gisteren in de stad.
-
Is dat van hem of van haar? → Is dat van jou of van haar?
-
Is dat zijn idee? → Is dat jouw idee?
-
Zijn moeder houdt van toneel → Jouw moeder houdt van toneel.
-
Dat boek is van zijn zus → Dat boek is van jouw zus.